Search This Blog

Loading...

3/18/2015

De eerste design-afvallige

Terwijl wij 20 jaar geleden elkaar nog de koppen in sloegen of ons beroep nou ontwerpen of vormgeven moest heten . En de term Design louter gebruikten als bijvoeglijk naamwoord voor iets ‘overontworpens’, iets ‘sliks’, dat vast verkocht werd door Alessi, rukte het Angelsaksische gebruik va het begrip op. „Design kun je ook als werkwoord gebruiken“ leerden we van de Amerikanen. Nederland schrok wakker. Design Als paraplubegrip, als umbrella term: oeioeioei.

Zonder dat we het in de gaten hadden was de wereld ineens geglobaliseerd. De lokale stammenstrijd tussen ontwerpers en vormgevers werd beëindigd. De laatste kemphanen uit BNO, de KIO, de Gio, Premsela en DDFA keken elkaar aan en vroegen zich af waar ze zich in hemelsnaam al die tijd druk over hadden gemaakt. Een situatie die we kenden van de Nederlands Hervormden en de Protestanten. Wie weet waar dat dispuut over ging?

Maar er veranderde voor de voormalige kemphanen nóg een paradigma. De ambassadeurs van de design-lobbyclubs hoefden opeens géén voet meer tussen de deur te zetten als zij de design boodschap kwamen brengen bij overheden en bedrijfsleven. De design Jehova's  waren jaar in jaar uit langs de velden getrokken om ongelovigen van de kracht van de creatieve industrie te overtuigen. Of het nou in Harderwijk, Hamburg, of Ghangzou was, bij het MKB, de koningin of in de EU,  de boodschap was  altijd dezelfde: Designers kunnen bést wel wat. Kijk er eens naar, het zal je verbazen

Stelt u het zich eens voor hoe het voelt als je 20 jaar de voet tussen de deur hebt gezet en dat plotseling iedereen aan de ander kant zegt: “Ja ja, dat doen wij nu ook.  Dat weten we al. Dat implementeren wij nu. Daar zijn we a een poos mee bezig. U bent net iets te laat” en “vertel mij wat, ik was altijd al met design bezig”. Er valt ineens niets meer te zenden.
Het zendingswerk is definitief vervult. Het land is bekeerd. Iedereen wil design. Iedereen was al design, maar nu al helemaal.

Designers zitten bij DWDD aan tafel met hun 3d geprinte huizen, met hun smog-oplossingen, en met  hun belofte met creativiteit de plasticsoep te lijf te gaan. Designers zijn nationale helden met hun eigen 'image hotels'. Hun huizen staan voor veel geld te koop en ze treden op in pensioenreclames. Op de opening van de door Wanders gesponsorde Wanders reclameshow in het Stedelijk museum liep toet Het Gooi rond. Bontjasje, Pradaatje, etcetera. En ze zeiden allemaal in koor: ‘wat een talent heeft die jongen, mensen die dat niet zien, zijn zuurpruimen’. Je hebt filmsterren, rock-sterren, gewone BN-ers en designers. Ja, U hoeft het niet in elkaars oor te fluisteren. Met de vrouw in deze montage ben ik al 20 jaar getrouwd.

Design is populairder dan ooit: Ieder tijdschrift, iedere blog, schrijft erover. iedere ondernemer wil ermee ge-associeert worden.  Als iets als design te herkennen is namelijk, heeft het een grotere ‚meerwaarde‘. Dat betekend dat je er een hogere prijs voor kan vragen. Daarom serveren middelmatige restaurants hun maaltjes op vierkante borden. Want sterrenkeuken is ook design.

Er zijn  designfestivals in steden waar u nog nooit van gehoord heeft. Deze week was ik In Reijkjavik bijvoorbeeld, waar men ook geloofd dat de toekomst van de IJslandse economie meer creativiteit moet gaan draaien. Verrassend hè? Had u niet verwacht hè? Er zijn inmiddels meer designweeks dan weken in een jaar.

Dus terwijl iedereen denkt te weten wat design is. En iedereen enthousiast is over het begrip en iedereen zijn beroepsnaam herdefinieert zodat het iets met design te maken heeft begin ik me hoe langer hoe meer af te vragen wat design nou eigenlijk nog is.

Wat is design?? En... Wat een kan een designer?
Ik voel me daarbij als een werkeloze Jehova bij wie het -nu hij bevrijd is van zijn zendingswerk- begint te knagen. Ik ben mezelf de vraag aan het stellen  die ik 1000 malen aan al die voordeuren stelde. Alleen had ik toen altijd een antwoord paraat, maar nu weet ik het even niet meer. Bij mij is de twijfel flink toegeslagen. Dus terwijl de religie groeit als kool ben ik misschien de eerste design afvallige.

Kunnen designers eigenlijk wel wat?
Stel we hebben hier Marieke' (desigers zijn tegenwoordig voor 80% vrouwen, er zijn al scholen die er beleid op maken om ook jongens te interesseren). Marieke heeft net haar bachelor degree in Design gehaald. Opgedaan op 1 van de vele Nederlandse scholen.

Kan Marieke een model maken? Kan zij 3d printen? Weet zij de productieprijs van een designkadoo van 20 euro? Heeft zij een goede smaak? Weet hij het verschil tussen spuitgieten en extruderen? Kan zij het complementair van lichtblauw noemen? Weet zij wie Walter Gropius was. Kan zij een rekening sturen? Weet zij wat een ontwerpproces is?

Kunnen wij überhaupt één vraag formulieren waar we zeker een “Ja” op willen horen? MAW Kunnen wij 1 dingen noemen dat een designer zeker moet kunnen?  Kunnen wij 1 harde eis stellen aan de competenties van een designer? Het zal niet makkelijk worden omdat het beroep transformeert van ambacht-gerelateerd naar mentaliteit gedreven. Design is een creatieve mentaliteit. Veel preciezer kunnen we het niet maken.




Toen liep ik over straat en zag ik dit bord. Ik begon me af te vragen of dit rookverbod samenhangt met woord design. Ik ging middeleuuwse oorsprong van het woord rechercheren. 

Ik voelde me als een psychiatrische patient die zijn obsessies vooral niet hardop in het openbaar moet uitspreken omdat hij dan kans loopt dat mannen in witte pakken hem in een dwangbuis meenemen en hem medicijnen geven. Die mannen zetten mij op een afdeling met andere mensen die zich uit een sekte bevrijd hebben. 

Design schept verwachtingen die het niet waarmaken kan. Designers gaan NIET de smogproblematiek in China oplossen. Erger nog: Design wordt als schaamlap gebruikt om de smogproblematiek daar niet aan te pakken. Design gaat ook niet het immigratievraagstuk oplossen. Design gaat ook niet de plastic soep kleiner maken, alhoewel verschillende projecten dat beloven. Design gaat voor meer afval zorgen, niet voor minder. Design gaat ook obesitas, climate change en overproductie niet oplossen.

Design is een onderdeel van het brandings-instrumentarium geworden, een ruimtelijke vorm van adverteren. Het is impliciet in handen van Marketeers en designmanagers. Het publiek wantrouwt namelijk reclames, maar heeft vertrouwen in design. Marieke is ook zo’n eerlijk en lief kind.  

Design geeft geen enkele garantie. Het is een verzameling van 50 onbeschermde beroepen, elke 6 maanden komt er 1 bij.  We leiden er elk jaar meer op. RCA wil in 5 jaar groeien van 500 naar 2200.  Dit jaar zijn er weer meer verse ontwerpers dan vorig jaar. Volgend jaar worden het er nog meer. Zit daar dan echt geen maximum aan? Op een zeker moment zijn er toch voldoende designers zou je zeggen.

Mensen zeggen tegen mij: Waar maak je je druk over
Of God nou wel of niet bestaat, dat maakt toch niks uit?  Het grappige is, dat ze dat 15 jaar geleden, toen ik noch langs de deuren ging om design te promoten ook zeiden. Dus dat voelt heel vertrouwd. Ik ben altijd blij als ze dat zeggen, dan denk ik: ‘nu zit ik op het goede spoor’

Ik ben een boek aan het schrijven met de werktitel ‚wat is design. Over de transformatie van het beroep’. Of dat boek een instructieve bestseller wordt of een e-book/roman van psychopaat met oplage één moet de tijd gaan leren.


In beide gevallen noem ik het een design en mezelf een designer. Tegen die tijd ze de dwangbuizen voor mij en andere afgekickte Jehova’s en de 12 stappen programma’s allang geredisigned. Misschien wel door Marieke.

2/07/2015

Unsolved Questions about Design

Unsolved Questions about Design

With books and magazines on design more numerous and selling better than ever and a general growth in interest regarding design products and services, it seems like design is more popular than ever. The expectations from the public about what it can accomplish have certainly never been higher. Designers are increasingly perceived as problem solvers. 

From the outside the design world looks very healthy. But let’s take a look under the hood: is this profession really as vital and strong as it seems? Design is growing quantitatively, but is it growing qualitatively as well? Can designers really do what the public and the commissioners think they are capable of? 

The profession is changing rapidly as a result of its growth, but is struggling with some serious issues. We are under pressure, and believe that we lack the time to find fundamental answers to these uncomfortable questions. But the answers have to come from designers themselves ­– from researchers, practitioners, students and scientists. 

These are some of the industry’s biggest challenges – let’s see if 2015 will provide answers to them: 

1. Is design becoming more superficial?

For a long time design was embedded in mechanical engineering, printing, typography and material skills like ceramics, wood- or metalworking. We were able to weave and print by hand or understand simple industrial processes, such as injection moulding or extrusion. 

But the definition of design has expanded – and it has also become more conceptual. This, combined with the digitisation of our workflow and an increasing dependence on computers, means most designers have little grasp on true craftsmanship. As Jonathan Ive said in a recent interview: "So many designers don't know how to make stuff. That's tragic".

Are we really able to design quality products if we don't have a deep knowledge of the specific materials, crafts or production methods needed to create them? How can we be connected throughout the whole cycle of product development if we are only conceptually relevant?

Design is slowly transforming into an ever more mental, strategic and conceptual profession. “Design Thinkers” like Stale Melvaer even advocate this transformation saying: "Stop looking at yourself as a designer, and start thinking of yourself as a deliverer of ideas".

On top of that, because of the internet, projects are often being distributed, judged and critiqued on their screen appearance alone. People increasingly buy products based on their two-dimensional qualities. As a result design has become strongly image-oriented.

Screen and photographic representation is what ultimately counts. Long texts and literature about projects are becoming rare. Sections, plans or sketches are rarely published. Models and physical 3D-prototypes play an ever-smaller role, because you can't email or publish them.

So although it is a holistic profession that touches on all skills and senses it is being reduced to image making. The process, the meaning, the tactility, the materials, the spatial qualities and the sustainable impact, all have become less important. We satisfy an increasingly superficial demand for sexy imagery in high resolutions.

2. Has the design process become a group consensus process?

Older designers complain that they never sit with the director of a company anymore, but with people from the communications department. Our clients are no longer the CEOs but the marketing and communication managers.

Recently a designer of my acquaintance had a meeting about developing a chair with 35 people in the room. She was the only designer present. There is no way the designer can lead a discussion like that. Design is now an ongoing strategic conversation where various disciplines are involved.

In a recent interview Konstantin Grcic described the complex and very slow genesis of his All Star chair. "Four years is a long time to develop a chair", he said. The design brief nowadays is the result of many meetings and many discussions and is often subject to changes, he explained. The design process has become a group consensus process. The same is true in architecture. There is lots of talking and, although there is a broader acknowledgment of design, its position hasn't become significantly stronger. In fact, the freedom for a designer to explore, innovate and research has been reduced. 

3. Does design lack maturity? 

The vast majority of designers are under 40. Afterwards they tend go into education, design management, or become entrepreneurs in a related field. It is very rare that an active designer of over 50 speaks at a convention or gets major press. The very few that do must be extremely successful, because everyone else has long left the profession by that age.

The press wants young and upcoming talent – they present an easy story. The industry wants them as well, because they bring free publicity and embody the new. Consumers want designers to be optimistic, fresh and inspirational. Young people fit that image better.

Design is not an easy way to make money. If you are dependent on billed hours or royalties it will take a lot of time before you can match the average income of most professions. We all know that young creatives often live in poor circumstances. Very few designers practice this profession until they retire because it costs more energy than it reasonably returns in money.

The profession as a whole therefore lacks maturity. There is hardly any learning flow through the generations. We are continuously re-inventing design, with an enthusiastic but inexperienced group of young professionals. 

4. Is design a sexist profession?

For many decades there has been gender equality in design schools. Design was one of the few professions that seemed to appeal as much to women as to men.

But today fewer than 10 per cent of top designers are female. Why can't more of the women who study design reach the top? Perhaps for some of the same reasons that cause women to be underrepresented on the boards of big corporations.

Design could easily be gender neutral – enough women want to study its disciplines – but shamefully, we cannot score that point. A recent study of design publications done by Gabriel Maher on the gender issue highlighted the role of the press. Depending on the gender they use a different jargon, show the designers in different poses and write about different qualities. To cut it short: it is a sexist profession. 


Now what do we do about it?

12/11/2014

Autoregelgeving als fundament van gentrification

Consumenten huilen krokodillentranen over de teloorgang van mooie auto’s maar kopen inwisselbare modellen die weinig kosten en veel kunnen. Gelijk hebben ze want het levert je niets meer op om in een mooie auto te rijden. De auto betekend niets meer voor onze identiteit. Voor het geld dat hij per maand kost kan je een aan een parachute hangen of een Tantra-seminar volgen. Dat is veel bruikbaarder voor je persoonlijke ontwikkeling én voor je online-identiteitsvorming. Je AMC Pacer daarentegen kan je maar 2 keer per jaar op Facebook posten. Parkeren voor de deur van het restaurant gaat niet meer. Cruisen door de stad is niet meer leuk door rotonden, drempels en gordels. Als je ermee op vakantie wilt, vinden je vrienden het sneu voor je. Zij vliegen en huren iets. De auto heeft geen achterban meer, de grond onder het grote status van de vorige eeuw symbool brokkelt met de dag verder af. De auto straalt niet meer af op de bezitter en de auto’s stralen sowieso niet meer.

Inperking van vrijheid

De wetgever bemoeit zich intensief met de auto. Bij de invoering van de autogordel-draagplicht (1976) stuitte dat nog op veel weerstand. “Inperking van vrijheid”, “schending van persoonlijke integriteit”, maar zulke stemmen zijn verstomd. De automobilist is een mak schaap geworden. Zo heb ik mijn vorige auto ingeruild omdat hij te ‘vuil’ was om in mijn wijk te staan. Hij behoorde tot de Duitse milieuklasse 3, terwijl 4 benodigd was. Ik had de keus om naar een buitenwijk te verhuizen, of mijn auto voor een schoner model in te ruilen. Dit makke schaap koos ik voor het laatste.
Risee van de stad
Ook de inrichting van steden disciplineert de autogebruiker. Genereerde een auto ooit vlotte toegang tot de stad, is zij tegenwoordig de risee van de stad. Alles is eenrichting verkeer geworden, je staat meer stil dan je beweegt. Wie parkeert wordt uitgeperst. Ondertussen moet je je schamen ten opzichte van elke fietser en voetganger want je doet iets immoreels. Alsof je een bloedige entrecote eet in een vegetarisch restaurant.
Je bent gek als je met de auto de stad in gaat. Het publiek heeft die boodschap inmiddels goed begrepen. Na veel campagnes, parkeertarieven, overstapplekken, wielklemmen en morele druk doen we dat ook niet meer. We gaan met de auto nog wel naar de MEGA-store om boodschappen voor de hele week te doen maar we mijden de binnenstad als de pest. Dat is namelijk definitief het territorium van de voetganger en de fietser geworden. De auto is de boosdoener in de stad: Hij is onvredig, gewelddadig, onsociaal, vervuilend en neemt teveel plek in.

De stad een verloren territorium

Alleen in onwerkelijke autoreclames kijken mensen nog lachend om naar een auto, omdat hij zo mooi en vlot is. Daar zijn de straten leeg, en swingen de auto’s door de stad. Maar in het echt is de binnenstad voor de auto een verloren territorium. Steden als Amsterdam, Groningen en Utrecht zijn disciplineringsmachines geworden.
Groningen liep voorop met haar verkeerskundige ‘kwadranten’. Van het ene naar het ander kwadrant is er maar één doorgang. Alles is eenrichtingsverkeer. Het zijn militaire middelen die ook gebruikt worden bij grootschalige, gevaarlijke evenementen zoals een Europacup Finale en of een Ajax huldiging. In zulke gevallen is boosdoener een dronken Hooligan maar hier is de ‘vijand’ de burger in zijn auto.
Autoregelgeving is het fundament van gentrification
Het is begrijpelijk dat een overheid -met grote steun van burgers- ferme maatregelen neemt om de stad te verbeteren. Maar misschien heeft de stedelijke arrogantie ten aanzien van de auto wel een te grote zege geboekt. Winkelgebieden lopen leeg en stadsbezoek neemt af, omdat we ‘winkelen via internet’. Maar er is niet meer aan de hand? Is de stad misschien ook minder opwindend geworden? Hoeveel galeries, lunchcafeetjes en snuisterijenshops kun je verdragen? De stad herbergt nog nauwelijks ongepolijste verassingen en ontmoetingen. Het is geen open platform meer voor iedereen. Alle anti-auto maatregelen zijn genomen vanuit de overtuiging dat de stad toch wel aantrekkelijk genoeg is, maar die aanname klopte misschien niet. Half Hengelo staat leeg en in Breda kan je met het blote oog de stedelijke terugloop zien in elk café.
Vergelijk onze binnensteden eens met een willekeurige stad op het Franse of Spaanse platteland, waar boeren en buitenlui twee keer per week hun auto’s parkeren om groenten en andere waar te verkopen. De ‘Hollandse maatregelen’ zijn daar ondenkbaar omdat ze het functioneren van de stad ondermijnen. Maar was dat primaire stedelijke gebruik niet juist hoe de stad ontstond, en wat de stad legitimeert? En hebben al die maatregelen het vitaal functioneren van onze steden ook niet uitgeroeid?
De autoregelgeving is een van de fundamenten van de gentrification en bijbehorende verburgerlijking van de stadscultuur. Iedereen denkt hetzelfde, vindt hetzelfde en woont hetzelfde. Alle restaurants serveren hetzelfde. De tegenstellingen die de stad ooit opwindend maakte zijn verdwenen omdat de hoogstedelijke cultuur al decennia regeert. We hebben onze steden tot resorts gemaakt, misplaatst arrogante “one-trick ponies”. Veel senioren en gezinnen hebben de stad daardoor juist herontdekt, ze kopen er appartementen en zijn er tevreden. Maar ga eens kijken in Warschau, Marseille en armere wijken van Berlijn. De stad is daar nog meer een melting pot van verschillen. Verschillen die op elkaar botsen en elkaar beconcurreren. De toegankelijkheid -juist ook voor de auto- speelt daarin een grote rol. We zijn te ver gegaan.